Lager risico op slepende melkziekte én eerder drachtig
Energietekort, slepende melkziekte en ketose – verschillende termen voor hetzelfde probleem. Het afkalven vraagt veel van een koe, zowel metabolisch als hormonaal.…
Kort uitgelegd
Belangrijkste ketonlichaam in het bloed van de koe. Vanaf 1,2 mmol/l spreek je van subklinische ketose.
BHB staat voor bèta-hydroxyboterzuur, ook wel bèta-hydroxybutyraat genoemd. Naast acetoacetaat en aceton is het een van de drie ketonlichamen, en in het bloed van de koe de belangrijkste. Ketonlichamen ontstaan in de lever als lichaamsvet wordt afgebroken en niet volledig kan worden benut.
Na het afkalven stijgt de melkproductie sneller dan de voeropname. De koe vult het tekort aan uit haar vetreserves. In kleine hoeveelheden zijn ketonlichamen normaal en dienen ze zelfs als energiebron. Lopen ze te ver op, dan is er sprake van ketose (slepende melkziekte). De BHB-waarde is daarom de standaardmaat om ketose op te sporen, ook de subklinische vorm zonder zichtbare verschijnselen.
Sommige bronnen leggen de grens voor subklinische ketose bij 1,4 mmol/l. Belangrijker dan de precieze grens is dat je steeds op dezelfde manier meet en de waarden door de tijd heen vergelijkt.
Er zijn drie manieren:
Het grootste risico ligt in de eerste twee tot drie weken na het afkalven. Een meting is zinvol bij versgekalfde koeien tussen de 3e en 14e lactatiedag. Het loont om gericht risicokoeien te meten: te vette koeien, oudere koeien, koeien met melkziekte, een tweeling of een niet afgekomen nageboorte en koeien die slechter vreten.
Voor een beeld van de hele koppel kun je steekproefsgewijs een groep verse koeien meten. Zit een groot deel daarvan boven de grenswaarde, dan ligt het probleem meestal in de voeding van de droge en verse koeien, niet bij losse dieren.
Ook zonder meter zijn er aanwijzingen. Een vet-eiwitverhouding boven 1,4 in de MPR in de eerste lactatieweken wijst op sterke vetafbraak. Dat geldt ook voor een conditieverlies van meer dan één BCS-punt na het afkalven. Soms ruikt de adem of de melk zurig naar aceton.
Een verhoogde waarde laat zien dat de koe te weinig energie binnenkrijgt. Het doel is om snel energie aan te vullen en de voeropname te stimuleren. Daarvoor worden glucogene stoffen zoals propyleenglycol gebruikt. Bij hoge waarden of een zieke koe overleg je met je dierenarts.
Op de lange termijn ligt de oplossing in de droogstand: koeien niet te vet laten worden, een goede close-upvoeding en een hoge voeropname na het afkalven. Meer hierover lees je in Melkziekte of slepende melkziekte? Dit is wat elke melkveehouder moet weten. Hoe eerdere praktijkproeven het BHB-gehalte in de melk beoordeelden, lees je in Vóór of ná afkalven bolussen geven? Dit laten robotdata zien.
Vanaf 1,2 mmol/l in het bloed spreek je van subklinische ketose, vanaf ongeveer 3,0 mmol/l van klinische ketose. Sommige bronnen leggen de eerste grens bij 1,4 mmol/l.
Tussen de 3e en 14e dag na het afkalven, vooral bij risicokoeien zoals te vette of oudere koeien.
Ja, met teststrips of via de MPR. Sommige melkrobots meten ketonlichamen automatisch. De bloedmeting met een handmeter is in de stal het nauwkeurigst.
Energietekort, slepende melkziekte en ketose – verschillende termen voor hetzelfde probleem. Het afkalven vraagt veel van een koe, zowel metabolisch als hormonaal.…
De transitieperiode is hét moment waarop de energievoorziening onder druk staat: de melkproductie komt op gang, de schommeling van hormonen, en…
Slepende melkziekte en melkziekte klinken hetzelfde, maar zijn 2 verschillende soorten aandoeningen die koeien kunnen krijgen rondom het afkalven. Melkziekte is het…
Ontdek onze gloednieuwe krant 'Farming Forward', die vroeger bekendstond als 'Cow Programme'. We hebben de inhoud ook uitgebreid met onderwerpen als klauwverzorging, hygiëne en de dagelijkse bedrijfsbehoeften.
Krant lezen
Winkelwagen
Je winkelwagen is nog leeg.