Kort uitgelegd
Vervanging van afgevoerde koeien door vaarzen. Het vervangingspercentage is het deel van de veestapel dat per jaar wordt vervangen.
Met vervanging, ook wel remonte genoemd, bedoelen we het aanvullen van de melkveestapel. Koeien die het bedrijf verlaten, worden vervangen door vaarzen. Die vaarzen komen uit eigen opfok, uit uitbestede opfok of worden drachtig aangekocht.
Het vervangingspercentage is het deel van de veestapel dat in een jaar door vaarzen wordt vervangen. De berekening is eenvoudig:
Vervangingspercentage = aantal ingestroomde vaarzen per jaar / gemiddeld aantal koeien x 100
Een voorbeeld: een bedrijf met 100 koeien laat in een jaar 33 vaarzen instromen. Het vervangingspercentage is dan 33 procent. De koeien blijven gemiddeld maar ongeveer drie lactaties op het bedrijf. Veel bedrijven in Duitsland zitten tussen 30 en 40 procent.
Nauw verwant is het afvoerpercentage: het deel van de koeien dat per jaar de veestapel verlaat. Bij een gelijkblijvende veestapel zijn beide gelijk. Groeit de veestapel, dan ligt het vervangingspercentage hoger.
In de Duitse deelstaat Sleeswijk-Holstein kostte de opfok van een vaars tot het eerste afkalven in 2024 gemiddeld 2.659 euro. Die kosten verdient een koe vaak pas in de tweede lactatie terug. Blijft ze maar drie lactaties, dan is de periode met winst kort. Elke extra lactatie verlaagt de opfokkosten per liter melk.
Een rekenvoorbeeld uit de praktijk: stijgt de levensduur op een bedrijf met 100 koeien van drie naar vijf lactaties, dan zijn er 13 vaarskalveren minder nodig. Dat alleen al bespaart ongeveer 21.000 euro opfokkosten per jaar. Omdat er minder jongvee op het bedrijf staat, kun je met dezelfde fosfaatruimte meer melk produceren. De hele berekening vind je in Verdien duizenden euro’s meer; ga voor twee lactaties extra!.
Niet elke afvoer is slecht. Vrijwillige afvoer, bijvoorbeeld door een lage productie of fokvooruitgang, hoort bij het management. Het probleem zit in de onvrijwillige afvoer. In zeven van de tien gevallen verlaat een koe de veestapel niet vrijwillig. De meest voorkomende redenen zijn:
Rond 18 procent van de koeien wordt al na de eerste lactatie afgevoerd. Hier ligt de grootste winst: een betere transitieperiode, gezonde klauwen en een goede uiergezondheid verlagen het aantal onvrijwillig afgevoerde koeien.
Hoeveel vaarskalveren je moet opfokken, hangt af van het vervangingspercentage en van de leeftijd bij het eerste afkalven. Hoe later de vaarzen afkalven, hoe meer jongvee er tegelijk in de stal staat. Een afkalfleeftijd van 24 in plaats van 28 maanden verlaagt bij hetzelfde percentage de behoefte aan jongvee duidelijk. Meer over kosten en opfok lees je in Jongvee opfok uitbesteden?.
Sommige bedrijven fokken helemaal niet zelf op en kopen drachtige vaarzen aan. Dat scheelt ruimte en werk, maar maakt het bedrijf afhankelijk van de markt en brengt het risico van nieuwe ziekten met zich mee.
Een laag vervangingspercentage is alleen goed als de veestapel gezond is. Blijven zieke of niet-drachtige koeien te lang op het bedrijf, dan daalt het percentage, maar ook de productie. Kijk daarom altijd naar de redenen van afvoer.
Het aantal ingestroomde vaarzen per jaar gedeeld door het gemiddelde aantal koeien, maal 100.
Veel bedrijven zitten op 30 tot 40 procent. Een lager percentage betekent een langere levensduur en lagere opfokkosten per liter melk, zolang de afvoer vrijwillig is.
Het vervangingspercentage telt de nieuwe vaarzen, het afvoerpercentage de koeien die vertrekken. Bij een gelijkblijvende veestapel zijn beide gelijk.
Ontdek onze gloednieuwe krant 'Farming Forward', die vroeger bekendstond als 'Cow Programme'. We hebben de inhoud ook uitgebreid met onderwerpen als klauwverzorging, hygiëne en de dagelijkse bedrijfsbehoeften.
Krant lezen
Winkelwagen
Je winkelwagen is nog leeg.